Tagged: Matthijs Ponte

Thomas Möhlmanns vadermoord – repost VS#1

foto: Esther Parriger
foto: Esther Parriger

Op eerste kerstdag verschijnt de nieuwe aflevering van VersSpreken over Ghayath Almadhouns gedicht ‘We’. Tot die tijd plaatsen we dagelijks een oude aflevering om er alvast weer in te komen. We beginnen met de eerste aflevering, oorspronkelijk gepubliceerd op 25 november 2009. Het gesprek gaat over een titelloos gedicht uit de bundel Kranen open van Thomas Möhlmann. Aan tafel zitten Erik Lindner, Samuel Vriezen, Joost Baars en Matthijs Ponte. Een gesprek over tanden, vaders en zonen en de sociaal-democratie.

-

Kom vadertje laat je tanden zien, niet
je voortschrijdend inzicht: ik moet in je gelijk
kunnen wonen, echt ik ben blij

je tevreden te zien, dat je dingen hebt
neergezet die niemand je meer afneemt
wil niet zeggen dat alles er mooier op werd

alleen je eigen wereld is maakbaar
niet die waarin ik je een kleinkind geef
en ik wil daarover met je kunnen praten

vader laat dus je tanden weer eens zien, steeds
dommere mensen krijgen steeds meer gelijk
en natuurlijk zijn het kiezers maar waarvan

jullie bouwden een prachtig paleis pa
op een drassige bodem, ook ik geloof
in goede bedoelingen maar

steeds meer nog intussen in tanden
eet mijn pap nog met dezelfde lepel
maar kauw tegenwoordig voor ik slik:

niet je mening van vanavond
niet je wijsheid met de jaren.
Je tanden.

Een Babylonische spraakontwarring (VersSpreken #12)

Sybren PoletIn 1799 werd er in het Egyptische plaatsje Rosetta (nu El Rashid) een steen gevonden met een tekst in drie verschillende talen geschreven staat. De steen wordt de Steen van Rosetta genoemd, en bood de sleutel tot het ontcijferen van Egyptische hiërogliefen. In zijn bundel Donorwoorden uit 2010 nam Sybren Polet een gedicht op met dezelfde titel: Steen van Rosetta. Het gedicht is minstens zo vol als de Steen: de schepping, de Apocalyps, de taal, God, de relativiteitstheorie, de Verlichting, de toren van Babel, het Nihilisme, technologische vooruitgang, beeldcultuur, nieuwe media, en een online taalcursus. Het komt allemaal voorbij in Polets gedicht. En daardoor natuurlijk ook in het uitvoerige gesprek dat Rozalie Hirs, Frank Keizer, Matthijs Ponte en Joost Baars erover hadden in aflevering 12 van VersSpreken, de podcast met vier lezers en een gedicht. Er worden dingen ontcijferd en er ontstaan nieuwe mysteries. Natuurlijk klinkt er ook een voordracht, opgenomen tijdens een avond rondom Donorwoorden in het Amsterdamse Perdu. Wie het gedicht wil lezen, kan het hier downloaden (pdf). Reageren kan onder deze post.

‘n vry fokken vrouw (VersSpreken #11)

Slingers, klippen, kliffen en koperkleppen: in de elfde aflevering van VersSpreken buigen Rob Schouten, Hélène Gelèns, Joost Baars en Matthijs Ponte zich over een titelloos gedicht van Antjie Krog en spreken over baren, de glibberigheid van de Afrikaanse taal, maatschappelijke ongelijkheid, boeren en ’n vry fokken vrouw.

De gebruikte opname is gemaakt tijdens de Nacht van de Poëzie, en gepubliceerd door Uitgeverij Rubinstein op de CD-verzameling Ode aan de Nacht. De vertaling is van Robert Dorsman en werd opgenomen in Wat de sterren zeggen, een verzameling gedichten die verscheen bij Uitgeverij Podium.

__

ek staan op ’n moerse rots langs die see by paternoster
die see slat slingers in die lug
liggroen skuim
onverskrokke kyk ek elke donnerse brander
in sy gut voor hy breek
die rots sidder onder my sole
my bo-beenspiere bult
my bekken smyt die aangeleerde gelate knak uit haar uit
se moer ek is rots ek is klip ek is duin
helder sing my tiete ’n koperklepgeluid
my hande pak moordbaai en bekbaai
my arms skeur ekskaties bo my kop:
ek is
ek is
die here hoor my
’n vry fokken vrouw

_

ik sta op een oerrots aan de zee bij paternoster
de zee slaat slingers in de lucht
lichtgroen schuim
onverschrokken kijk ik elke donderse golf
in zijn pens voordat hij breekt
de rots siddert onder mijn zolen
mijn bovenbeenspieren spannen zich
mijn bekken ontdoet zich met geweld van de aangeleerde gelaten knak
schijt aan alles ik ben rots ik ben steen ik ben duin
helder zingen mijn tieten een koperklepgeluid
mijn handen pakken moordbaai en bekbaai
mijn armen scheuren extatisch boven mijn hoofd:
ik ben
ik ben
de here hoort mij
een vrije vrouw verdomme