VersSpreken.nl Podcast met vier lezers en een gedicht

20May/103

voor de hond van willy vandermeulen (VersSpreken #5)

 

(beluister aflevering met deze player)

In de vijfde aflevering van VersSpreken een gesprek over het gesprek. Met een hond. Een gesprek over het snuffelen aan de dood en volbloedigheid. Over vriendschap en de onsterfelijkheid van de ziel. Onderwerp is het gedicht 'voor de hond van willy vandermeulen' uit de bundel omdat ik ziek werd van de Vlaamse dichter Bart Meuleman. VersSprekers van dienst zijn Hélène Gelèns, Erik Lindner, Mustafa Stitou en Joost Baars.

De tune van deze aflevering is wederom van Jose Travieso, en komt van zijn album Tunguska, dat hier gratis te downloaden is.

-

voor de hond van willy vandermeulen

toen willy stierf
getracht de hond van willy uit te leggen
wat er gaande was.
wispelturige reacties.
desinteresse (vaak); uitzinnige woede (soms);
weigering om de neus
in de lucht te steken en te ruiken (onophoudelijk).
onrustwekkende sprongen.

hem bij de kop vastgepakt, in de ogen gezien
en alle woorden herhaald,
ik benadruk,
alle woorden herhaald die nodig waren voor een goed begrip.
de ogen glommen, zuiver donkerbruin.
we zouden kunnen zeggen:
hier luistert de ziel van het dier.

zeker wisten we het niet.
omdat de tijden waren veranderd
en ook het laatste waarin we als volbloed idioten
hadden geloofd
van het ene uur op het andere in rook verdwijnen kon,
zomaar nergens heen.

-
Bart Meuleman, 'voor de hond van willy vandermeulen', uit: omdat ik ziek werd, Querido, Amsterdam, 2007.

Comments (3) Trackbacks (0)
  1. Mooi gesprek! Het opent veel mogelijkheden voor het gedicht.

    Als ik nog een perspectief mag toevoegen aan die van het gesprek, stel ik een verdere lezing voor van de regel waarvan Joost zegt dat hij die niet begrijpt: “omdat de tijden waren veranderd”. Naast een anecdotische en een idee-historische lezing kun je dat ook grammaticaal lezen: de grammaticale tijden veranderen, en dat hangt samen met het niet zeker “wisten”.

    Wat opent dat in het gedicht? Het valt op dat er vrij weinig onvoltooide tijden voorkomen. Als je de onvoltooide vormen onder elkaar zet krijg je:

    Toen Willy stierf
    ik benadruk
    hier luistert de ziel van het dier.

    De rest is voltooid, of conditioneel, en daarmee onzekerheid, in rook verdwenen of aan het verdwijnen.

    Vooral “ik benadruk” is interessant: de enige echte tegenwoordige tijd (want “hier luistert” valt onder een conditioneel “zouden kunnen zeggen”). En inderdaad, wat wordt er benadrukt? dat er herhaald is. Maar die herhaling zelf is ook verdwenen (en inderdaad, zoals opgemerkt in het gesprek, de woorden die herhaald zijn worden niet eens genoemd). In het benadrukken (onvoltooid tegenwoordige tijd) van wat herhaald [is] (voltooid verleden tijd) zit dus ook die verandering van tijden.

    Me dunkt dat die onvoltooid tegenwoordige tijd precies het enige is dat het gedicht meent te kunnen communiceren. Dus niet wat gezegd is communiceert – dat verdwijnt in rook, en inderdaad zit daarin een soort twijfel aan de mogelijkheid tot communicatie; maar dát men, hier en nu, communiceert, is weer wel een affirmatie. Het heeft misschien iets Beckett-achtigs.

  2. Of nee, de affirmatie is niet eens dat men hier en nu “communiceert”: er wordt zelfs alleen maar benadrukt. Nadrukkelijke aanwezigheid, daar gaat het om.

  3. Een sterk stukje gezamenlijke closereading die mooi uitwaaiert. Soms is het inderdaad wat vergezocht (alles kán bijna alles betekenen, maar moet je het daarom ook ‘geloven’?). Dat de ‘wispelturige reacties in de 1e strofe’ die van mensen zouden zijn, vind ik daaronder vallen. De isotopie is nu eenmaal die van de hond. En moet je dan de slotregel van die strofe – ‘onrustwekkende sprongen’ – ook op mensen toepassen?

    Wat dat ruiken betreft (waarover H. Gellens een terechte, vaak verdrongen opmerking maakt): de hond had het moeten ruiken, behalve wanneer ‘willy’ elders, in een ziekenhuis bv. ‘stierf’.

    Dat door de indirecte beschrijving van het tafereel veel op een metaniveau komt, dat dan regelrecht leidt naar de kwestie van het bestaan van een (dierlijke én menselijke) ziel, lijkt me duidelijk.

    Dat dit gedicht treft, ontroert, ondanks de klaarblijkelijke twijfel aan communicatie en ‘zingeving’, heeft geloof ik ook te maken met de stilzwijgende, impliciete dialoog die het heeft met andere, vroegere doodsgedichten.

    Toen dit gedicht genomineerd was voor de Gedichtendagprijs 2009 ben ik in een commentaar kort op die traditie ingegaan. Als het mag, knip en plak ik dat hier even:

    — 1. Er bestaan veel gedichten over dode mensen (om er slechts één klassiek te noemen: ‘Uitvaert van mijn dochterken’ van Vondel) . Er bestaan ook enkele gedichten over gestorven honden (’Hond met bijnaam Knak’ van Jan Hanlo bijvoorbeeld). Wat hebben die elegieën (klaagzangen) gemeen? Dat ze het onverbiddelijke van het verdwijnen, of liever: van het verdwenen zijn ontkennen door de dode – in de herinnering – te laten verrijzen. Het onherroepelijke wordt letterlijk herroepen. (Gerrit Achterberg en de ‘gestorven geliefde’.)

    2. Het zou statistisch moeten worden nagegaan, maar de kans dat je een baas tegenkomt die treurt omdat hij z’n hond verloren heeft lijkt groter dan het omgekeerde. Mensen leven nu eenmaal langer dan honden. Een omkering van het journalistieke exempel: ‘hond bijt man’ is geen nieuws, ‘man bijt hond’ wel. ‘Mens verliest hond’ is voorspelbaarder, als informatie vertrouwder, dan ‘Hond verliest mens.’

    3. Een gedicht niet over of voor de dode, maar voor de overlevende. Om het dier te troosten? Niet eens dat: om hem ‘uit te leggen / wat er gaande was’.

    4. Communicatie met huisdieren: “ze verstaan ons zo goed, meneer (beter dan mensen)”.

    5. Hier niet. De hond van Willy (daar zit het ‘m misschien: niet ónze hond) begrijpt er geen bal van. Evenmin als de dolfijn waartegen in Hans Favereys gedicht steeds opnieuw ’say: ball’ wordt gezegd.

    6. We kunnen de reacties van de hond vermenselijken: ‘wispelturige reacties’ (waar vooral toch ‘kwispelen’ en ‘nerveus’ in doorklinkt), ‘weigering om de neus in de lucht te steken en te ruiken’ (alsof hij het niet w i l begrijpen en zelfs zijn normale instinctieve reacties onderdrukt, vreemd: want als iemand sterft, ruiken zelfs mensen dat), ‘onrustwekkende sprongen’ (tekens van onrust bij het dier, maar vooral bij de mens die iets probeert uit te leggen: onrustwekkend onbegrip!).

    7. Strofe 2: aangedrongen, alles gedaan wat kon. Vastgepakt, oogcontact. Bij de glimmende ogen gedacht aan ‘de spiegel van de ziel’.

    8. In strofe 3 wordt de overtuiging ‘hier luistert de ziel van het dier’ meteen weer betwijfeld – ‘omdat de tijden waren veranderd’. Bij Hanlo (1912-1969) ging dat nog:

    “Hij was een hond
    Zijn naam was Knak
    Maar in zijn hondenlichaam stak
    Een beste ziel
    Een verre tak
    Een oud verbond”

    Maar na de sixties … Wie gelooft nog in de ziel, als zelfs het bewustzijn slechts chemisch uitvloeisel wordt genoemd van de lichaamsmaterie? En wie nog in grote verhalen, ook het laatste, het ‘volbloed’ rode van de ‘nuttige idioten’ (Lenin) van de revolutie? Verdwenen in een mum van tijd, ‘in rook’ opgegaan, ‘zomaar nergens heen’.

    9. Zoals de dode. Nergens heen. Geen Egidius, ‘in den troon verheven’. Geen Constantijntje, ‘Boven leef ick, boven zweef ick, / Engeltje van ‘t hemelrijck’.

    10. Veel vergeefs, dus. En tussen de regels niet minder verdriet: voor willy, voor de hond van willy, voor ons. Mededogen, zei men vroeger. Nu niet meer, ‘omdat ik ziek werd’. Onherroepelijk. —

    Dit ter aanvulling – er zijn zeker veel meer verbanden met nog andere gedichten te leggen.

    Tot slot: dit blijven tekstuele en intertekstuele benaderingen: “Il n’y a pas de hors-texte”.

    Toch werd ik verrast door een reactie die toen op de Canvas-website volgde, van iemand voor wie de hond van Willy Vandermeulen meer betekende dan woorden in een gedicht. Jenny, die hen blijkbaar allebei kende, schreef:

    — Erik,

    Toch nog even dit : de hond van Willy begreep na verloop van tijd. De hond van Willy lag dagen te wachten in de gang in de wetenschap dat het baasje altijd terug thuis kwam. De hond van Willy was treurig, de hond van Willy was doodsbang toen de kist de verbrandingsoven in ging.

    Het gedicht van Bart Meuleman is vlijmscherp exact in de beschrijving van een andere orde van besef. Misschien wel een hogere orde. Een minder gestoffeerde orde. Een orde die gezonder bezig is met overleven . Een snel sublimeren in functie van zelfbehoud. Maar ik weet dat een dier voelt en beseft; soms ben ik jaloers op de wijsheid waarmee zij door het leven gaan. Even wreed als wij mensen, maar zoveel zuiverder in hun intenties. —


Leave a comment


No trackbacks yet.